Ellen Gerrits, Mieke Beers, Gerda Bruinsma en Ingrid Singer - Handboek taalontwikkelingsstoornissen

1  Taalontwikkelingsstoornissen

Oliver, 1982; Culp et al., 1991). Logopedisten moeten bij een kind met een ach- terblijvende taalontwikkeling dan ook beducht zijn op andere mogelijke signa- len die wijzen op mishandeling of verwaarlozing. Iedere logopedist die gecon- fronteerd wordt met vermoedens van kindermishandeling of -verwaarlozing wordt geacht te handelen volgens het stappenplan van de (wettelijk verplichte) meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling (NVLF, 2011). Gevolgen van taaldeprivatie De casuïstiek van kinderen die opgroeiden in een omgeving met heel weinig of atypische taal heeft bijgedragen aan het formuleren van de zogenoemde ‘kri- tiekeperiodehypothese’. Deze hypothese gaat ervan uit dat de vroege kinder- jaren een periode vormen waarin kinderen bijzonder gemakkelijk taal kunnen leren, maar ook dat deze periode begrensd is en dat het leren van taal daarna niet meer mogelijk is (Lenneberg, 1967). Neurologische veranderingen rond de puberteit zouden het vermogen om taal te leren doen afnemen (Carroll, 2004). Als inderdaad een kritieke periode bestaat waarbinnen de taalontwikkeling voltooid moet worden, zou een blootstellingsachterstand niet meer kunnen worden ingehaald. Een probleem van de kritiekeperiodehypothese is dat deze niet toetsbaar is waar het eerstetaalverwerving betreft. Los van het feit dat het ethisch onaanvaardbaar is om kinderen in een experiment taal te ontzeggen, lijken de besproken casussen duidelijk te maken dat taaldeprivatie niet kan plaatsvinden zonder sociale en cognitieve deprivatie. Taal is immers een com- municatiemiddel en communicatie is essentieel voor de sociale en cognitieve ontwikkeling. Evidentie uit onderzoek naar tweedetaalverwerving lijkt erop te duiden dat geen sprake is van een harde leeftijdsgrens voor het leren van taal. Hoewel over het algemeen de stelregel ‘hoe jonger geleerd, hoe beter de taalvaardigheid’ geldt, heeft niet iedereen die op jonge leeftijd een tweede taal leert een native-like vaardigheid en zijn er wel degelijk mensen die native-like spreken in een twee- de taal die ze pas tijdens of na de puberteit hebben geleerd (De Groot, 2011). De beschikbare evidentie toont het bestaan van een kritieke periode dus niet aan, maar het is wel mogelijk dat in de vroege kinderjaren een gevoelige pe- riode bestaat voor het leren van taal (Hurford, 1990). Hoewel dit nog altijd niet is aangetoond, zijn veel taalstimuleringsprogramma’s en interventies die zich richten op de taalontwikkeling op het bestaan van zo’n periode gebaseerd. In verschillende onderzoeken wordt getracht vast te stellen of inderdaad een ge- voelige periode voor het leren van taal bestaat, of voor verschillende taalaspec- ten verschillende gevoelige periodes bestaan, en hoe de eventuele gevoeligheid verandert door de tijd (bijvoorbeeld Granena & Long, 2013; Ionin, 2013).

50

Made with