Milieu Compact nr 4 - page 13

milieu
compact
13
het bouwvlak ten opzichte van zijn perceel en wo-
ning. Deze afspraken zijn tevens in een notariële
akte vastgelegd in de vorm van een zogenoemde
kwalitatieve verplichting, aldus appellant. Onder
verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van
31 oktober 2012 in zaak nr. 201103853/1/R2 over-
weegt de voorzitter dat in het kader van een be-
stemmingsplanprocedure ter beoordeling staat of
een plan strekt ten behoeve van een goede ruim-
telijke ordening en niet in strijd is met het recht.
Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een
privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling
en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in
de weg staat, is slechts aanleiding wanneer deze
een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is
immers de eerst aangewezene om de vraag te be-
antwoorden of een privaatrechtelijke belemmering
in de weg staat aan de uitvoering van een activi-
teit. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat
tussen appellant en de raad niet in geschil is dat
het plan voor zover het betreft het perceel [locatie],
gezien de daarvoor geldende maximale planologi-
sche mogelijkheden, geen afbreuk doet aan de in
de notariële akte neergelegde afspraken. Een evi-
dente privaatrechtelijke belemmering, waarvan op
voorhand in redelijkheid moet worden aangenomen
dat die in de weg staat aan de verwezenlijking van
het bestreden plandeel binnen de planperiode,
doet zich reeds om die reden dan ook niet voor.
zie
; Vz ABRS 08-01-2014,
nr. 201308735/1/R4 en /2/R4
Omgevingsvergunning voor verandering
veehouderij en ligging bebouwde kom
Bij besluit van 20 november 2012 heeft het college
van BenW van Dinkelland een omgevingsvergun-
ning verleend voor het veranderen van een vee-
houderij. Bij uitspraak van 29 mei 2013 heeft de
rechtbank het door appellant ingestelde beroep on-
gegrond verklaard. Het begrip bebouwde kom kan
volgens de geschiedenis van de totstandkoming
van de Wet geurhinder en veehouderij worden om-
schreven als het gebied dat door aaneengesloten
bebouwing overwegend een woon- en verblijffunc-
tie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-
eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De
grens van de bebouwde komwordt niet bepaald door
de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de
ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving.
Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand
van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot
een samenhangende structuur. Langs de rand van
Weerselo loopt de [weg]. De woning van appellant
ligt ten opzichte van het dorp aan de andere zijde
van de [weg] en vormt de enige bebouwing aan die
zijde van de weg. Dit verschilt met de situatie in de
zaak 201012361/1/M2, waarnaar appellant verwijst,
omdat in die situatie de woning aan twee zijden was
omsloten door op korte afstand gelegen bebouwing.
Verder kan de [weg] als grens van de bebouwde
kom worden aangemerkt. De afstand tussen de wo-
ning van appellant en de dichtstbijzijnde bebouwing
aan de andere kant van de [weg] bedraagt onge-
veer 30 m. Een samenhangende structuur met op
korte afstand van elkaar en aan die zijde van de
weg gelegen bebouwing ontbreekt. Gelet op het
voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoor-
deeld dat het college zich terecht op het standpunt
heeft gesteld dat dat de woning van appellant buiten
de bebouwde kom is gelegen, zodat een geurnorm
van 14,0 odour units per kubieke meter lucht geldt.
zie
; ABRS 08-01-2014, nr.
201305948/1/A4
Milieuvergunning rundvee- en varkenshouderij
met hondenfokkerij en ammoniakemissie
Bij besluit van 7 november 2012 heeft het college
van BenW van Someren een revisievergunning als
bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet mili-
eubeheer verleend voor een rundvee- en varkens-
houderij met hondenfokkerij. Het college heeft voor
het toepassen van de omgevingstoets zoals neer-
gelegd in artikel 3, derde lid, van de Wav aansluiting
gezocht bij de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing
ammoniak en veehouderij van 25 juni 2007 van de
minister van VROM. Volgens de Beleidslijn kan bij
uitbreiding van een IPPC-veehouderij, zoals hier
aan de orde, worden volstaan met toepassing van
BBT zolang de totale jaarlijkse ammoniakemis-
sie niet meer bedraagt dan 5.000 kg. Volgens de
Beleidslijn moet deze grens niet als een absolute
grens worden gezien, omdat de lokale milieusituatie
aanleiding kan zijn om van die grens af te wijken.
In paragraaf 4.4 van de Beleidslijn wordt geadvi-
seerd om bij veehouderijen die in de vergunde si-
tuatie bij toepassing van BBT een emissieomvang
van minder dan 5.000 kg hebben en die op relatief
korte afstand van een kwetsbaar natuurgebied zijn
gelegen, bij uitbreiding te bezien of er in de con-
crete situatie redenen zijn om de strengere emis-
siegrenswaarde al vanaf het vergunde niveau te
hanteren. Appellant heeft niet bestreden dat binnen
de inrichting de in aanmerking komende BBT wor-
den toegepast. De ammoniakemissie in de aange-
1...,3,4,5,6,7,8,9,10,11,12 14,15,16,17,18,19,20,21,22,23,...24
Powered by FlippingBook