Milieu Compact nr 4 - page 9

milieu
compact
9
woorden ‘voor zover’ in de tekst van artikel 2.33,
tweede lid, aanhef en onder a, die erop duiden dat
de bevoegdheid tot intrekken ook bestaat wanneer
van een deel van de vergunning gedurende drie
jaar geen gebruik is gemaakt. Vaststaat dat het
stoken van whisky gedurende drie jaar niet bin-
nen de inrichting heeft plaatsgevonden. Het col-
lege was dan ook bevoegd om de vergunning met
toepassing van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en
onder a, voor wat betreft het stoken van whisky in
te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
zie
; ABRS 24-12-2013,
nr. 201304161/1/A4
Belanghebbenden bij sanering bodemveront-
reiniging
Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het college van
GS van Noord-Holland vastgesteld dat zich op de
locatie Amsteleiland 1 - 4 te Amstelveen een geval
van ernstige bodemverontreiniging voordoet, waar-
van spoedige sanering voor het huidige gebruik niet
noodzakelijk is, maar voor het toekomstige gebruik
wel. Tevens heeft het college bij het besluit van 27
februari 2013 ingestemd met het voor de betrokken
locatie ingediende saneringsplan. Het beroep van
appellanten sub 2 tegen het bestreden besluit ziet
uitsluitend op de instemming met het saneringsplan.
Wanneer op grond van de Wet bodembescherming
een besluit tot instemming met een saneringsplan
wordt genomen, zijn onder meer de eigenaren en
bewoners van percelen waarop gevolgen kunnen
worden ondervonden van de bodemverontreiniging
waarop de sanering betrekking heeft dan wel de
eigenaren en bewoners van percelen waarop ge-
volgen kunnen worden ondervonden van de wijze
waarop zal worden gesaneerd, belanghebbenden.
De te saneren locatie omvat het gehele Amste-
leiland. Het perceel van appellante sub 2A en de
woonboot van appellant sub 2B zijn op korte af-
stand van het Amsteleiland gelegen. Gelet hierop
is niet op voorhand uitgesloten dat, zoals overigens
ook vermeld in het saneringsplan, zij gevolgen, zo-
als geluidhinder, kunnen ondervinden van de wijze
waarop zal worden gesaneerd. Reeds om die re-
den is de Afdeling van oordeel dat de belangen van
appellanten sub 2 rechtstreeks bij het bestreden
besluit, voor zover dat ziet op de instemming met
het saneringsplan, zijn betrokken, zodat zij belang-
hebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van
de Awb zijn. Derhalve is hun beroep ontvankelijk.
zie
ABRS 18-12-2013,
nr. 201303401/1/A4
Milieueffectrapport voor inrichting voor houden
gespeende biggen
Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college van
BenW van Oirschot een revisievergunning als be-
doeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer ver-
leend voor een inrichting voor het houden van
gespeende biggen. Blijkens het bestreden besluit
heeft het college, naar aanleiding van het arrest
van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009, aan
de hand van de criteria vermeld in bijlage III van de
richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling van
bepaalde openbare en particuliere projecten beoor-
deeld of een milieueffectrapportage noodzakelijk is.
Het college komt tot de conclusie dat zich geen zo-
danig belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu
zullen voordoen, dat een milieueffectrapport moet
worden gemaakt. Voor de woning van appellant sub
3, een voormalige bedrijfswoning bij een veehou-
derij, geldt op grond van artikel 3, tweede lid, van
de Wet geurhinder en veehouderij een afstands-
norm van 50 meter. Aan deze afstandsnorm wordt
voldaan. Niet in geschil is dat de gevraagde veran-
dering van de inrichting leidt tot een toename van
de cumulatieve geurbelasting bij de woning. Die
toename blijkt ook uit de tot het bestreden besluit
behorende tekeningen van bijlage 2 bij de aanmel-
dingsnotitie van 3 december 2011, waarin de cumu-
latieve geurbelasting van de omgeving voor en na
de gevraagde verandering is weergegeven. Appel-
lant sub 3 heeft niet aannemelijk gemaakt dat de
beoordeling van het college in zoverre onvolledig
is geweest. Het betoog van appellant sub 5, dat het
college de geurbelasting van de bij de veehouderij
aan de locatie 3 aanwezige voorzieningen voor Bed
and Breakfast en huisvesting van seizoenarbeiders
niet bij zijn beoordeling heeft betrokken, slaagt niet.
Deze voorzieningen moeten volgens het college
worden aangemerkt als geurgevoelige objecten,
maar omdat zij juridisch planologisch deel uitmaken
van de nog in werking zijnde veehouderij, geldt hier-
voor de afstandsnorm van artikel 3, tweede lid, van
de Wet geurhinder en veehouderij. Aan die norm
wordt voldaan. Uit bijlage 2 bij de aanmeldingsno-
titie blijkt voorts dat de cumulatieve geurbelasting
bij de voorzieningen enigszins toeneemt. Appellant
sub 5, heeft niet aannemelijk gemaakt dat het col-
lege bij zijn beoordeling of een milieueffectrapport
nodig is, geen rekening heeft gehouden met deze
geurbelasting. Bij zijn beoordeling of een milieuef-
fectrapport moet worden gemaakt, heeft het college
rekening gehouden met in de omgeving gelegen
Natura 2000-gebieden. Appellant sub 4 heeft niet
1,2,3,4,5,6,7,8 10,11,12,13,14,15,16,17,18,19,...24
Powered by FlippingBook