86
MECHATRONICA
De bandtransporteur wordt geactiveerd door een
computerscansignaal en in hoogte versteld en naar links
of naar rechts gestuurd (zie tekening).
De transporteur moet worden uitgevoerd met de
volgende bedieningselementen:
een startschakelaar en een stopschakelaar.
Tijdens positieverandering van de band moeten de
banden stil staan.
Omdat de band veelvuldig aan- en uitgeschakeld wordt, maakt men gebruik van een
softstarter of frequentieregelaar die er voor zorgt dat de inschakelstromen worden beperkt en
de mechanische componenten zo minimaal mogelijk worden belast.
Het geheel kan worden aangestuurd met een PLC die gebruik maakt van sensoren en
actuatoren.
Bij het monteren van de transporteur op de definitieve opstelplaats dienen alle aangedreven
componenten en overbrengingen nauwkeurig afgesteld en uitgelijnd te worden.
Tijdens het proefdraaien dient men alle soorten lageringen na te lopen op temperatuur, ruis en
speling.