Jan Bijlsma en Hay Janssen - Sociaal werk in Nederland

1

De Nederlandse verzorgingsstaat

stige ontwikkelingen en verschillen in (politieke) opvattingen door de formulering ‘noodzakelijk geachte’.Over dat wat noodzakelijk is kunnendemeningennatuurlijk verschillen. Incontinentieluiers voor dementerende ouderen? Studiefinanciering voor hbo-studenten? Wasmachines voor bijstandsmoeders? Opvoedingsondersteuning voor jonge ouders?Door inde definitie het subjectieve element ‘noodzakelijk geach- te’ op te nemenwordt duidelijkdat de aard en omvang vande verzorgingsstaat inde loop van de tijd, bij veranderende opvattingen, ook kunnen veranderen. Het is deze definitie vande verzorgingsstaat diewe hanteren inhet vervolg vandit boek. De introductie van arbeidswetgeving (Kinderwetje vanVanHouten, 1874) en sociale zekerheidswetgeving (de Ongevallenwet, 1901) wordt vaak als het startpunt van de Nederlandse verzorgingsstaat gezien.De industrialisatie kwamnogmaar net op gang enhoewel het oude caritasstelsel van vrijwilligenaastenliefdenog steeds bestond,was dat niet langer in staat omdeproblemen adequaat op te lossenof beheersbaar tehou- den. Vanuit deze beginsituatie ontwikkelde de verzorgingsstaat zich en kwam er een proces van verstatelijking van verzorgingsarrangementen op gang. De ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat past daarmee binnen een ontwikkelingslogica die voorWest-Europa in het algemeen geldt. In die ontwikkelingslogica onderschei- denwe vier fasen: Fase 1: Eerste aanzet. Voor loonarbeiders in de beginnende industrieën vormden ziekte, ongevallen en invaliditeit grote risico’s.Hiertegenwerden dan ook de eer- ste socialewetten enverzekeringengeïntroduceerd.Hoewel ookwerkloosheid een reëel bestaand risico was, kwamen daartegen in eerste instantie nog geen sociale verzekeringen. Fase 2: Doelgroepverbreding.De eerste sociale verzekeringenwaren exclusief gericht op industriële loonarbeiders. In de tweede fase van de ontwikkeling van de ver- zorgingsstaat zien we een verbreding in wet- en regelgeving tot niet-industriële arbeiders en zelfs totmensendie niet in loondienst werken. In de eerste twee fasen lag het accent bij de sociale verzekeringen op het tegengaan van armoede. Bij de verdere ontwikkeling vande verzorgingsstaat verschuift het per- spectief vanhet tegengaan van armoede naar een spreiding vandewelvaart. Fase 3: Sociale regelingen krijgen eennog algemener karakter.Uiteindelijk resulteer- de dat in een vangnet voor iedereendie (omwelke redendan ook) in (financiële) nood verkeert. Indeze fasewerd er ooknaar gestreefdomuitkeringenwaardevast temakenwaardoor uitkeringsgerechtigdenmeeprofiteerden vande algemene stij- ging van de welvaart. Uitkeringenwerden gekoppeld aan de lonen, waardoor ze met de lonenmeestegen. Fase 4: Crisis. Het stelsel van sociale zekerheid kwam onder druk te staan als gevolg vande grote aantallenmensendie er eenberoepopdeden. Er ontstondenproble- men rondde betaalbaarheid ende beheersbaarheid vanhet stelsel. OntwikkelingvandeNederlandseverzorgingsstaat

1.2

16 |

Made with