CZW20120115

Verpleegkundige Niveau 4

Proeve 2

Proeve 2 (2012-vp-pr2)

Opleiding: Niveau 4

Verpleegkundige

Artikelnummer CZW20120115

Colofon Deze uitgave is gerealiseerd onder verantwoordelijkheid van Stichting Consortium Beroepsonderwijs - Zorg & Welzijn & Assisterenden Gezondheidszorg

Directie enmanagementteam L. Fine B. Huijberts A. Pijnenburg

I. Rabelink M. Wouters

Ontwikkelteamleider S. Borkus

Ontwikkelaar van deze fase J. Cuijpers R. van der Hoek I. Kolen L. Wesseling

Redactie A. Brink M. Brok

Ontwerp H. Witjes (Studio Blanche)

DTP Stichting Consortium Beroepsonderwijs/studio Blanche Juni 2013

Foto’s Stichting Consortium Beroepsonderwijs

Ondanks alle inspanningen is het mogelijk dat Stichting Consortium Beroepsonderwijs niet alle copyrights van de in de uitgave opgenomen illustraties heeft geregeld. Degene diemeent alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemenmet Stichting Consortium Beroepsonderwijs.

© 2013 Stichting Consortium Beroepsonderwijs Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbe- stand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, namelijk elektronisch, mechanisch, door fotokopie, opnamen of enige anderemanier, zonder toestemming van Stichting Consortium Beroepsonderwijs.

Inhoud

Proeve 2 .........................................................................4

Werkprocessenmet de bijbehorende competenties .................5

Typering .........................................................................6

De opdracht .....................................................................8

Het resultaat..................................................................19

Beoordelingslijst.............................................................21

Daar waar de zij-vorm staat, wordt ook de hij-vorm bedoeld of omgekeerd. Waar zorgvrager staat, kan ook worden gelezen: patiënt, cliënt, gehandicapte, kind. Daar waar verpleegplan staat, kan ook zorgplan, zorgleefplan of begeleidingsplan gelezen worden. Waar EVV’er staat, kan ook contactverpleegkundige of persoonlijk begeleider gelezen worden.

Proeve 2

Werkprocessenmet de competenties van deze proeve Nummer en titel van het werkproces Competenties bij het werkproces

1.1

A D H

Stelt verpleegkundige diagnose en stelt het verpleegplan op

Beslissen en activiteiten initiëren Aandacht en begrip tonen Overtuigen en beïnvloeden Formuleren en rapporteren Vakdeskundigheid toepassen

J

K

M

Analyseren

1.2

E F J K R

Biedt persoonlijke verzorging en observeert en monitort gezondheid en welbevinden

Samenwerken en overleggen Ethisch en integer handelen Formuleren en rapporteren Vakdeskundigheid toepassen

Op de behoeften en verwachtingen van de klant richten Met druk en tegenslag omgaan Vakdeskundigheid toepassen Materialen enmiddelen inzetten Instructies en procedures opvolgen

V

1.3

K L

Voert verpleegtechnische handelingen uit

T

1.4

C D R

Begeleidt een zorgvrager

Begeleiden

Aandacht en begrip tonen

Op de behoeften en verwachtingen van de klant richten

1.5

Begeleidt een groep zorgvragers * 1

C D

Begeleiden

Aandacht en begrip tonen

1.6

I

Geeft voorlichting, advies en instructie

Presenteren

L

Materialen enmiddelen inzetten

1.7

E T V B E Q

Hanteert crisissituaties en onvoorziene situaties * 2

Samenwerken en overleggen

Instructies en procedures opvolgen Met druk en tegenslag omgaan

1.8

Coördineert de zorgverlening

Aansturen

Samenwerken en overleggen

Plannen en organiseren

1.9

D

Evalueert de zorgverlening

Aandacht en begrip tonen Formuleren en rapporteren

J

M

Analyseren

* 1 Geldt niet voor het Algemeen Ziekenhuis * 2 Bij de opdrachten over het begeleiden bij verandering, pijn en verliesverwerking ligt het accent op onvoorziene situaties

5

PROEVE 2

Typering

Margriet werkt sinds tweemaanden als verpleegkundige op een chirurgische afdeling van een algemeen ziekenhuis. Hiervoor was zij werkzaam als verpleegkundige in een kleinschalige psychiatrische woonvorm. Vandaag heeft zij een bijscholing verpleegtechnische vaardigheden. Toen zij werd aangenomen heeft ze deze bijscholing afgesprokenmet haar leidinggevende. Margriet voelde zich namelijk niet meer voldoende bekwaam om de, op haar afdeling voorkomende, verpleegtechnische vaardigheden uit te voeren. Margriet hecht veel waarde aan deze bijscholing. Mede hierdoor kan ze goede, verantwoorde zorg bieden.

Evelien werkt als verpleegkundige in het psychiatrisch ziekenhuis ‘Da Vinci’ op de afdeling crisis I. Op deze afdeling komenmensen vaak binnen in psychotische toestand en is de eerste zorg het weer stabiel krijgen van de zorgvrager. Vandaag heeft Evelien in overlegmet haar collega’s besloten om gedurende een uur non-participerende observatie te doen bij Leo, een jongeman die gisteren door de politie op de afdeling is binnengebracht in zwaar verwaarloosde toestand. Evelien wil op dezemanier gericht gegevens verzamelen voor de verpleegkundige diagnose waarmee de zorg beter gestructureerd kan worden.

Saskia staat nog te trillen op haar benen als de ambulance uit het zicht verdwenen is en Jaap afgevoerd wordt naar het ziekenhuis. Jaap is deze avond zwaar toegetakeld door medebewoner Frank. Beiden hebben eenmatig verstandelijke beperking en ze hebben vaker onenigheidmet elkaar gehad. Vanavond ging het helemaal mis. Frank werd heel boos, pakte een bloempot en sloeg Jaap er meerdere keren hardmee op het hoofd. Het gevolg is dat Jaapmet verschillende verwondingen naar het ziekenhuis vervoerdmoest worden. Saskia was

op het moment van slaan niet in staat om Frank te kalmeren. Pas toen Jaap op de grond lag, werd Frank ineens kalm en liet zich door Saskia naar zijn kamer brengen. Saskia heeft direct gehandeld volgens het protocol voor calamiteiten.

6

VERPLEEGKUNDIGE

Als verpleegkundige werk je in diverse branches onder verschillende omstandigheden. Naast gemeenschappelijke kenmerken heeft iedere branche haar eigen doelstelling en taken en dit vereist specifieke vaardigheden van jou als verpleegkundige. Op het moment dat je als verpleegkundige in het ziekenhuis werkt, zul je vaker temaken krijgenmet bijvoorbeeld wondzorg, dan wanneer je als verpleegkundige werkt in de transmurale zorg voor mensenmet psychiatrische stoornissen. In de zorg voor mensenmet een verstandelijke beperking ben je meer gericht op ondersteuning in de ontwikkeling en het geven van voorlichting en advies dan wanneer je als verpleegkundige werkt in de opvang van asielzoekers in een asielzoekerscentrum. In deze fase van de opleiding integreer je diverse werkprocessen en bijhorende competenties uit fase 1. Dat betekent dat je concreet aan het werk gaat met bijvoorbeeld het opstellen van verpleegplannen voor zorgvragers met midden- tot hoogcomplexe zorgvragen. Je voert bewust en bekwaam verpleegtechnische vaardigheden uit, je reageert adequaat op diverse (crisis)situaties, je begeleidt de zorgvrager en een groep zorgvragers bij het sociale functioneren, jemonitort de zorgvrager in de zorgverlening. Hierbij werk je samenmet je directe collega’s, andere disciplines enmensen uit het sociale netwerk van de zorgvrager(s). Dit vraagt communicatievaardigheden (gesprekstechnieken, bewust gebruik van taal), inzicht in het sociale netwerk van de zorgvrager en een houding waarmee je openstaat voor de invloed van bijvoorbeeld andere culturen. Er wordt in deze fase van je verwacht dat je eerder opgedane kennis, vaardigheden en houding integreert in complexere verpleegsituaties en ook de transfer maakt naar nieuwe situaties en branches. Je houdt trends en innovaties binnen de verpleegkunde bij. Denk bijvoorbeeld aan nieuwe wetgeving, zoals het wetsvoorstel dwang en drang of de wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling die van kracht gaan worden. Maar denk ook aan de ontwikkelingen op het gebied van kleinschalig wonen en de ontwikkelingen rondom kwaliteitskaders. In de VVT is dit het ‘Kwaliteitskader Verantwoorde Zorg’. In de GGZ het ‘Zichtbare Zorg geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg’ en in de GHZ het ‘Kwaliteitskader gehandicaptenzorg’. Oriënteren en Plannen Overlegmet je begeleider over je POP en de voorwaarden voor het uitvoeren van de proeve. Bekijk de resultaten en de beoordelingslijst. Wanneer bepaalde bewijsstukken niet haalbaar zijn, zoek dan naar vervangende bewijsstukken. Soms is het nodig dat je een aanvullend bewijsstuk inlevert. Bespreek je keuze voor de bewijsstukkenmet je begeleider. Maak vervolgens je PAP. Leg een inleverdatum voor de resultaten vast.

Plan een datum voor het voortgangsgesprek met je beoordelaar.

GO / NO GO

Stap 1 en 2 van de Wegwijzer zijn aangetoond.

7

PROEVE 2

Demoeilijkheidsgraad van de opdracht staat in de tabel hieronder aangegeven.

Demate van complexiteit van de beroepssituatie

Demate van zelfsturing

Demate van verantwoordelijkheid voor

gesloten context

geleid

uitvoering van eigen takenpakket jouw samenwerkingmet collega’s de hele zorg- en begeleidingscyclus aansturing van collega’s op hetzelfde of lager niveau

open context

begeleid

complexe context

zelfstandig

De opdracht

A. De totale opdracht Deze opdracht voer je uit in de beroepspraktijk. Kerntaak 1 staat centraal en omvat meerdere werkprocessen en competenties. Dit betekent een gevarieerde proevemet verpleegtechnische en begeleidende aspecten. Hierbinnen verleen jemidden- tot hoogcomplexe verpleegkundige zorg aan zorgvragersmet uiteenlopende verpleegproblemen. Je wordt kwalificerend beoordeeldmet behulp van de beoordelingslijst van deze proeve.

Je werkt daarnaast aan onderstaande specifieke opdrachten.

B. Het visieonderzoek Onderzoek binnen je BPV welke visie op verplegen gehanteerd wordt.

• Formuleer kort en bondig de visie op verplegen van de BPV-instelling en geef vijf voorbeeldenwaaruit blijkt dat deze visie uitgangspunt is bij het verlenen van de zorg. Vergelijk dit met je eigen visie op verplegen. Bespreek je visieonderzoekmet je collega’s. Maak van je visieonderzoek een samenvatting op hoofd- en deelonderwerpen.

8

VERPLEEGKUNDIGE

C. Het afnemen of bijstellen van de anamnese Onderzoek op welke wijze het verpleegkundige proces in je BPV verloopt en wordt vastgelegd. Gebruik je bevindingen om de onderstaande opdracht uit te voeren. Neem bij twee zorgvragers een anamnese af of actualiseer twee afgenomen anamneses. Doe dit volgens de theorie, gekoppeld aan de werkwijze die in je BPV gebruikelijk is. Leg de anamnese die je hebt afgenomen voor aan de betreffende zorgvragers of diens wettelijk vertegenwoordigers. Vraag ook feedback aan je team. Stel op basis van de feedback de anamneses bij. Neem de afgenomen of geactualiseerde anamneses en feedback op als bewijs. D. Opstellen of bijstellen van twee verpleegplannen Stel de diagnose van de twee zorgvragers bij wie je de anamnese hebt afgenomen of vanuit de geactualiseerde anamnese. Dit doe je vanuit de theorie, gekoppeld aan de werkwijze die in je BPV gebruikelijk is. Stel vervolgens het verpleegplan op. Leg de verpleegplannen voor aan de betreffende zorgvragers of diens wettelijke vertegenwoordiger en het team. Stel waar nodig de verpleegplannen bij. Vraag om instemming voor de uitvoering. E. Uitvoering van de zorg Voer gedurende vijf dagen de zorg uit volgens de door jou gemaakte of bijgestelde verpleegplannen uit opdracht D . Stem tussentijds de zorg af met je teamleden en stel het verpleegplan zo nodig bij. Rapporteer jouw zorg schriftelijk op hoofd- en deelonderwerpen in het verpleegdossier en mondeling tijdens de overdracht. F. Evaluatie van de zorg Evalueer de zorg schriftelijk aan de hand van de door jou opgestelde of bijgestelde verpleegplannenmet de zorgvrager of diens wettelijk vertegenwoordiger en betrokken collega’s en verwerk de feedback hierin. G. Onderzoek naar relevante wetgeving Onderzoek in jouw BPV hoe de relevante wetgeving bij de uitvoering van vijf verpleegtechnische handelingen wordt nageleefd. Vat dit onderzoek samen in een overzichtelijk schema. Leg dit voor aan twee collega’s, vraag feedback en stel eventueel je schema bij. Voeg beide anamneses in het zorgdossier van de desbetreffende zorgvragers.

9

PROEVE 2

H. Casuïstiek over de toepassing van verpleegtechnische handelingen • Kies twee zorgvragers uit je beroepspraktijk met een aandoening waarbij het uitvoeren van een verpleegtechnische handeling noodzakelijk is. Het moet gaan om twee verschillende verpleegtechnische handelingen. Beschrijf de aandoening en de gevolgen van deze aandoening voor het lichamelijke en psychosociale functioneren van de zorgvrager. • Beschrijf van iedere zorgvrager de reden en de wijze waarop je de verpleegtechnische handelingen uitvoert en hoe je de zorgvragers hierbij begeleidt. • Beschrijf hoe jij de relevante wetgeving toepast bij de uitvoering van de verpleegtechnische handelingen. • Laat een collega de casuïstiek lezen en voorzien van feedback. I. Uitvoering van verpleegtechnische handelingen Maak een beoordelingslijst (over werkproces 1.3) die gebruikt kan worden voor de beoordeling van je uitvoering van onderstaande verpleegtechnische handelingen (of gebruik een beoordelingslijst die door jouw opleiding wordt verstrekt). Laat de uitvoering tweemaal beoordelen door twee onafhankelijke beoordelaars. De onderstaande verpleegtechnische handelingen zijn verdeeld in verpleegtechnische handelingen en voorbehouden handelingen. Indien je kunt aantonen dat in de BPV (bepaalde) verpleegtechnische handelingen niet of zelden worden uitgevoerd, voer deze dan uit in een simulatiesetting die vergelijkbaar is voor de uitvoering in de BPV.

10

VERPLEEGKUNDIGE

Je voert de volgende verpleegtechnische handelingen volgens protocol uit. • Verpleegtechnische handelingen: – Medicijnen controleren, registreren, uitdelen zo nodig controleren op inname – Medicijnen toedienen: oraal, rectaal, vaginaal, via de huid, via de luchtwegen, via de slijmvliezen – Toedienen van zuurstof – Vloeistoffen via perifeer infuus toedienen – Sondevoeding toedienen – Een voedingspomp bedienen – Stoma verzorgen – Suprapubische katheter verzorgen – Suprapubische katheter verwisselen – Een infuuspomp en een spuitpomp bedienen – Geneesmiddelen in een opgeloste vorm toedienen via infuussysteem/ toedieningssysteem (pomp, kolf, zakje) – Verzorgen van rode, gele, zwarte wonden en wondenmet hechtingen – Maagsonde en blaaskatheter verzorgen – Zwachteltechnieken toepassen – Hechtingen en tampons verwijderen – Blaasspoeling uitvoeren – Mond- en keelholte uitzuigen – Verzamelen vanmonsters ten behoeve van diagnostiek (steriel en niet-steriel materiaal) – Lichaamstemperatuur regelen door middel van koude- of warmtebehandeling. – Eerste hulp (somatisch) verlenen bij: verwondingen, vergiftigingen, verstikking, verslikken en bij ademstilstand en circulatiestilstand. • Voorbehouden handelingen: – Subcutaan en intramusculair injecteren – Intraveneus injecteren – Een perifeer infuus inbrengen – Eenmaagsonde inbrengen – Katheteriseren van de blaas bij vrouwen – Katheteriseren van de blaas bij mannen – Venapunctie uitvoeren – Hielprik bij neonaten.

11

PROEVE 2

J. Uitvoering van branchespecifieke verpleegtechnische handelingen Onderstaande verpleegtechnische handelingen zijn per branche verschillend.

Maak voor jouw branche een beoordelingslijst (over werkproces 1.3) die gebruikt kan worden om je uitvoering van onderstaande verpleegtechnische handelingen naar keuze (of gebruik een beoordelingslijst die door jouw opleiding wordt verstrekt). Laat de uitvoering tweemaal beoordelen door twee onafhankelijke beoordelaars. Ook in deze opdracht geldt dat, indien je kunt aantonen dat in de BPV (bepaalde) verpleegtechnische handelingen niet of zelden worden uitgevoerd, je deze uitvoert in een simulatiesetting die vergelijkbaar is met de uitvoering in de BPV. Je kiest uit onderstaande verpleegtechnische handelingen vier handelingen die regelmatig voorkomen in de branche van je BPV. Per handeling is tevens aangegeven in welke branche je deze kunt behalen. Je voert deze verpleegtechnische handelingen volgens protocol en onder begeleiding uit.

• Branchespecifieke verpleegtechnische handelingen: – Wondenmet drains verzorgen (ZH en VVT) – Wonddrain verwijderen (ZH en VVT) –

Vloeistoffen toedienen via centraal infuus (ZH en VVT)

– – – – – –

Een centraal infuus controleren (ZH en VVT)

Transfusie (ZH)

PEG-sondevoeding toedienen (ZH en VVT) Maagspoeling uitvoeren (ZH, VVT en GGZ) Darmspoeling uitvoeren (ZH, VVT en GGZ)

Stoma irrigeren (ZH, VVT en GGZ)

– Verzorgen van tracheacanule en tracheastoma (ZH, VVT en GHZ) – Thoraxdrainage (ZH) – Assisteren bij of verrichten van diagnostische onderzoeken/behandeling in verband met chirurgische behandelingen (ZH) – Assisteren bij of verrichten van diagnostische onderzoeken/behandeling in verband met intern neurologisch onderzoek (ZH, VVT, GGZ en GHZ) – Assisteren bij of verrichten van diagnostische onderzoeken/behandeling in verband met bevalling of geboorte (ZH en VVT)

Je evalueert de uitgevoerde verpleegtechnische handelingmet de betrokkenen.

12

VERPLEEGKUNDIGE

K. Geven van voorlichting of advies Gedurende je BPV geef je aan een zorgvrager, mantelzorger of naaste, voorlichting en advies over behandelingen, infectiepreventie en/of gebruik van hulpmiddelen. • Maak een plan van aanpak voor voorlichting en advies. • Verwerk feedback van een collega in je plan van aanpak. • Voer je plan van aanpak uit en rapporteer of de voorlichting en het advies goed is overgekomen. L. Instrueren van een zorgvrager, mantelzorger of naaste Kies een zorgvrager, mantelzorger of naaste uit die je een verpleegtechnische handeling aanleert. Maak hiervoor een instructieplan. Verwerk feedback van een collega in je instructieplan. Voer je plan uit en rapporteer of de instructie goed is overgekomen. M. De sociale netwerkkaart en een plan van aanpak Je begeleidt twee zorgvragers gedurende vijf dagen bij het behouden of vergroten van het sociale functioneren. Hierbij stimuleer je de zorgvrager om zoveel mogelijk zelf contacten te leggen en te onderhoudenmet de directe omgeving. Je kiest zorgvragers met verschillende stoornissen, beperkingen en bij voorkeur in verschillende levensfasen. • Beschrijf de aandoening, de gevolgen en de betekenis van de aandoening voor het sociale functioneren van beide zorgvragers. • Maak een sociale netwerkkaart van iedere zorgvrager. • Maak een plan van aanpak voor de begeleiding van beide zorgvragers bij het behouden of vergroten van het sociale functioneren. • Leg het plan voor aan de betreffende zorgvragers en indien dit niet (goed) mogelijk is aan diens wettelijke vertegenwoordiger, mantelzorger of naaste en het team. • Vraag instemming enmedewerking voor je plan. • Voer het plan uit. • Je controleert tijdens en na de uitvoering van het plan of je voldoet aan de verwachtingen van de zorgvrager. Je legt de uitkomsten schriftelijk vast en laat een collega deze voorzien van feedback. • Evalueer de uitvoering van het plan waarbij je ingaat op het effect van de uitvoering van het plan.

13

PROEVE 2

N. Gesprekmet eenmantelzorger of naaste Voer een gesprek met eenmantelzorger of naaste over de draaglast en draagkracht en het versterken van de draagkracht. • Kies een zorgvrager waarbij demantelzorger of naaste nauw betrokken is. Je kunt hiervoor een zorgvrager uit opdracht M . kiezen. • Beschrijf de aandoening, de gevolgen en de betekenis van de aandoening voor het sociale functioneren van demantelzorger of naaste. • Voer een gesprek met demantelzorger of naaste waarbij je ingaat op de draagkracht en draaglast. • Geef tijdens het gesprek concrete adviezen om de draagkracht van demantelzorger of naaste te versterken. • Evalueer het gesprek met demantelzorger of naaste. • Maak een zelfgekozen bewijsstuk van het gesprek en de evaluatie.

O. Profiel en sociogram van de groep en een groepsactiviteit (GGZ, VGZ, Verpleeghuis, Verzorgingshuis) • Maak een profiel van de groep. Beschrijf de individuele groepsleden: – leeftijden – sekse – culturele achtergrond – spirituele en religieuze achtergrond – aanwezige aandoeningen, handicaps, stoornissen – mogelijkheden en beperkingen – belevingsniveau – sfeer in de groep – sociaal-maatschappelijke positie van de groep. • Verdiep je in de interacties in de groep: – maak een sociogram van de groep en leg dit uit.

Je voert één activiteit uit met de groep. De activiteit draagt bij aan een positief groepsklimaat en aan het versterken van de sociaal maatschappelijke positie van de groep zorgvragers. Je houdt hierbij rekeningmet de groepssamenstelling, het leefklimaat, het belevingsniveau en demogelijkheden van de groep zorgvragers. Betrek demantelzorger of naaste bij de activiteit. Je evalueert de uitgevoerde activiteitenmet de groep, demantelzorger of naaste.

Neem het profiel, het sociogram, het zelfgekozen bewijsstuk van de activiteit en de evaluatie op als bewijs.

14

VERPLEEGKUNDIGE

0f

O. Begeleiden bij het gebruikmaken van hulpverleningsinstanties (Algemeen ziekenhuis, Thuiszorg) Je begeleidt twee zorgvragers bij het benutten van hulpverleningsinstanties, zoals lotgenotencontactgroepen of patiëntenverenigingen. • Onderzoek welke hulpverleningsinstanties ondersteunend zijn bij het sociaal en maatschappelijk functioneren van de twee zorgvragers. Beschrijf de aandoening of ziekte, de gevolgen en de betekenis van de aandoening voor het sociaal enmaatschappelijk functioneren van de betreffende zorgvragers. • Benoem de hulpverlenende instanties. • Beschrijf hun taak en rol. • Maak een plan van aanpak voor de begeleiding. • Betrek hierin demantelzorger of naaste van iedere zorgvrager. • Evalueer de uitgevoerde begeleidingmet de zorgvrager, demantelzorger of naaste. Neem een beschrijving van de hulpverlenende instanties, de beschrijving van beide zorgvragers, het plan van aanpak, een zelfgekozen bewijsstuk van de uitvoering van de begeleiding en de evaluatie op als bewijs. P. Onderzoek naar (vroeg)signalering van grensoverschrijdend gedrag Doe onderzoek naar (vroeg)signalering van grensoverschrijdend gedrag. Dit onderzoek heeft betrekking op twee zorgvragers in je BPVmet ongewenst, onaangepast, onaanvaardbaar, grensoverschrijdend, agressief of lastig gedrag. Kies voor deze opdracht twee zorgvragers die ieder voor zich verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag vertonen en aanleiding kunnen geven tot crisissituaties. Het gaat om gedrag waarmee jij en je collega’s regelmatig geconfronteerd worden in de zorgverlening. Observeer dit grensoverschrijdende gedrag op verschillendemomenten in verschillende zorgsituaties. Maak hierbij gebruik van een geschikte observatielijst voor (vroeg)signalering van grensoverschrijdend gedrag. Denk hierbij aan de observatie van verbale en fysieke agressie, claimen, seksuele intimidatie, discriminatie. Maak in de lijst een onderscheid tussen acute situaties en overige situaties.

15

PROEVE 2

Q. Rapportage van grensoverschrijdend gedrag Maak een rapportage van de twee zorgvragers uit opdracht P . Maak hierbij gebruik van de ingevulde observatielijst ten behoeve van (vroeg)signalering uit opdracht P . en andere relevante bronnen. • Beschrijf van de twee zorgvragers ieder afzonderlijk de grensoverschrijdende gedragingen die je in de observatielijst hebt vastgelegd. • Geef beknopt het daadwerkelijke gedrag aan, de aanleiding, (mogelijke) oorzaken, de omstandigheden, aanwezige of eventuele afwezige anderen, de frequentie van het grensoverschrijdende gedrag, jouw reactie (waarbij je oog hebt voor je eigen gevoelens), de reactie (en gevoelens) van andere betrokkenen en demanier waarop collega’s met het gedrag omgaan. • Ga in vroegere rapportages na welke gegevens te herleiden zijn tot demogelijke oorzaak van het gedrag (ziektebeeld, stoornissen, ruimtelijke beperkingen, bejegening, leefgroep etc.), de aanpak van het gedrag in het verleden en de resultaten daarvan. • Maak hiervan een samenvatting in je rapportage. • Bekijk de bestaande verpleegplannen van iedere zorgvrager en ga na wat de huidige aanpak van het betreffende grensoverschrijdende gedrag is. Betrek hierin ook de naleving van regels en wetgeving. Toets dit aan de wijze waarop jezelf en je collega’s het grensoverschrijdende gedrag van de zorgvrager in de dagelijkse praktijk hanteren. • Maak hiervan eveneens een samenvatting in je rapportage. R. Bespreking van de rapportagemet het sociale netwerk van de zorgvrager In deze opdracht stel je een plan op voor een gesprek met een belangrijk persoon uit het sociale netwerk van één van de zorgvragers uit opdracht P . en Q . en voer je het uit. Dit doe je in overlegmet de EVV’er van de zorgvrager. Het plan is methodisch van opzet en inhoud, met specifieke aandacht voor de gegevens uit je rapportage over de wijze waarop de persoon uit het sociale netwerk het grensoverschrijdende gedrag van de zorgvrager beleeft en hanteert. Je legt je plan voor aan je werkbegeleider, EVV’er en/of direct aan het (multidisciplinaire) team. Verwerk eventuele aanvullingen en opmerkingen in je plan voor de bespreking. Voer (in samenwerkingmet de EVV’er) het gesprek. Bespreek je verzamelde rapportagegegevens met de betrokken personen. Neem de bevindingen uit deze bespreking op in je rapportage.

16

VERPLEEGKUNDIGE

S. Voorstellen voor een plan van aanpak Je doet voorstellen voor een plan van aanpak. Na het uitvoeren van opdrachten P . en Q . heb je een goed beeld gekregen van het grensoverschrijdend gedrag van twee zorgvragers in jouw beroepspraktijk. In deze opdracht maak je alle verzamelde rapportages bespreekbaar in het team (multidisciplinair bij voorkeur). Je doet voorstellen voor een aanpak, gericht op het (verder) afnemen van het grensoverschrijdende gedrag. Je stelt daartoe een aantal aandachtspunten op, waarvan jij vindt dat deze belangrijk zijn in de omgangmet het grensoverschrijdend gedrag van de twee zorgvragers. Betrek een belangrijk persoon uit het sociale netwerk van één van de twee zorgvragers binnen de aandachtspunten. Dit kan de persoon uit opdracht R . zijn. Voorafgaand aan het overleg bespreek je de aandachtspuntenmet de EVV’er van de betrokken zorgvragers en kom je tot eventuele bijstelling. De resultaten van het overleg gebruik je bij opdracht T . • Verwerk de gegevens uit het (multidisciplinaire) team samenmet jouw aandachtspunten uit opdracht S . in de verpleegplannen van de geobserveerde twee zorgvragers. Dit doe je op eenmethodische wijze die gebruikelijk is in je beroepspraktijk. • Leg de verpleegplannen voor aan je team. Stel op basis van feedback het plan bij. • Voer het verpleegplan uit. • Evalueer de zorg schriftelijk aan de hand van de door jou opgestelde of bijgestelde verpleegplannenmet de zorgvrager of diens wettelijk vertegenwoordiger en betrokken collega’s en verwerk de feedback hierin. U. Pijnbegeleiding Je begeleidt twee zorgvragers met verschillende soorten pijn. Je stemt de zorgverlening hierop af met andere betrokkenen. Voer deze opdracht uit aan de hand van onderstaande stappen: • Observeer de zorgvragers en gebruik voor het vaststellen van het pijnprobleem de hiervoor ontwikkelde pijn(anamnese) instrumenten. • Beschrijf de oorzaak, de wijze waarop de betreffende zorgvragers pijn beleven, de voorgeschreven pijnbestrijding, de werking en de effecten ervan. • Overlegmet collega’s en andere disciplines over de beschreven pijnproblemen en stem de zorg af. • Plan na dit overleg de gewenste activiteiten en voer deze uit. • Betrekt hierbij demantelzorger of naaste. • Pas je activiteiten aan als dit na verandering in de pijnbeleving nodig is. T. Actualisatie van het verpleegplan Actualiseer het verpleegplan

Je rapporteert schriftelijk je begeleiding van twee zorgvragers met pijn en voegt de uitwerking van de betreffende pijnmedicatie toe.

17

PROEVE 2

V. Begeleiden bij verandering en verliesverwerking Je begeleidt twee zorgvragers gedurende vijf dagen bij twee verschillende soorten verlieservaringen. Bij een van de zorgvragers bestaat je begeleiding uit het geven van voorlichting over mogelijkheden, hulpinstanties, behandelingen en therapieën. Je betrekt bij je begeleiding en je voorlichting demantelzorger of naaste van de zorgvrager.

Denk bij soorten veranderingen en verlieservaringen bijvoorbeeld aan: • accepteren van zorg door ziekte, stoornis of beperking • aanvaarden van het sterven • verhuizing van thuis naar zorginstelling • verlies van zelfredzaamheid • verlies van belangrijke anderen • verlies van huisdieren • verlies van baan.

Jemaakt een begeleidingsplan en voorlichtingsplan, voert deze uit en evalueert dezemet de zorgvrager, mantelzorger of naaste.

Als je kiest voor een vervangende of aanvullende opdracht, let er dan op dat deze voldoet aan de beoordelingslijst van deze proeve.

18

VERPLEEGKUNDIGE

Het resultaat A.

De afgetekende beoordelingslijst van deze proeve.

Specifieke bewijsstukken B. Samenvatting op hoofd- en deelonderwerpen van het visieonderzoek. WP 1.1: K, M. C. De afgenomen anamneses. WP 1.1: A, D, H, J. D. Twee (bijgestelde) verpleegplannen. WP 1.1: J, K, M enWP 1.2: J, K, R.

E. Rapportage op hoofd- en deelonderwerpen van de uitgevoerde zorg. WP 1.2: J, K. F. De evaluatie van de uitgevoerde zorg en de feedback hierop. WP 1.2: E, F, R, V. G. Het schema over de relevante wetgeving. WP 1.3: T. H. Casuïstiek over de toepassing van verpleegtechnische handelingen, voorzien van feedback. WP 1.3: K, T. I. Afgetekende beoordelingslijst van de correct uitgevoerde verpleegtechnische handelingen. WP 1.3: K, L, T enWP 1.8: Q. J. Afgetekende beoordelingslijst van de vier correct uitgevoerde branchespecifieke verpleegtechnische. WP 1.3: K, L, T enWP 1.8: Q. K. Een plan van aanpak voor de te geven voorlichting of advies, de feedback en de rapportage. WP 1.4: C, D, R enWP 1.8: B, E. L. Instructieplan voor het aanleren van een verpleegtechnische handeling, de feedback en de rapportage. WP 1.6: I, L enWP 1.8: B M. De sociale netwerkkaart, plan van aanpak en de evaluatie + feedback. WP 1.4: C, D. N. Zelfgekozen bewijsstuk van het gesprek met demantelzorger of naaste en de evaluatie. WP 1.4: C, R. O. Het profiel, het sociogram, het zelfgekozen bewijsstuk van de activiteit en de evaluatie. WP 1.5: C, D. of O. Een beschrijving van de hulpverlenende instanties, het plan van aanpak, een zelfgekozen bewijsstuk van de uitvoering van de begeleiding en de evaluatie. WP 1.4: R.

19

PROEVE 2

Het resultaat (vervolg) P. Twee observatielijstenmet uitkomsten van het onderzoek naar (vroeg)signalering van grensoverschrijdend gedrag. WP 1.1: M. Q. Rapportage van het grensoverschrijdend gedrag van twee zorgvragers. WP 1.1: J, M. R. Plan + uitvoering voor een bespreking van de rapportagemet iemand uit het sociaal netwerk van een zorgvrager. WP 1.4: R. S. Plan voor de bespreking in het (multidisciplinaire) teamoverleg en de resultaten daarvan. WP 1.1: J. T. Twee geactualiseerde verpleegplannenm.b.t. het grensoverschrijdende gedrag van twee zorgvragers en de evaluatie van de uitvoeringmet feedback. WP 1.4: C, D, R enWP 1.9: J, M. U. Het gebruikte pijn(anamnese)instrument en de rapportage van je verpleegkundige zorg aan twee zorgvragers met pijnmet daarbij een uitwerking van de voorgeschreven pijnmedicatie. WP 1.4: D, R enWP 1.7: E, T, V. V. Een begeleidingsplan en een voorlichtingsplan voor twee zorgvragers met verlieservaring, de uitvoering en evaluatie daarvan en feedback van je begeleider. WP 1.2: F. WP 1.4: C, D, R. WP 1.6: I, L.

Vervangende of aanvullende bewijsstukken – – – –

Neem de bewijsstukken op in je portfolio.

20

VERPLEEGKUNDIGE

Beoordelingslijst

Proeve 1 (2012-vp-pr2)

Naam student:

Opleiding: Verpleegkundige

Fase:

Cohort:

Datum:

voldoende goed

Prestatie-indicatoren

onvoldoende

Competenties

Kwalificerend

- componenten

Werkproces 1.1 Stelt verpleegkundige diagnose en stelt het verpleegplan op A Beslissen en activiteiten initiëren

P Dit betekent dat: • je in overlegmet je collega’s en de zorgvrager op tijd de benodigde beslissingen neemt • je in overlegmet collega’s risico’s afweegt

– beslissingen nemen – afgewogen risico’s nemen – verantwoordelijkheid nemen voor eigen beslissingen en activiteiten

zodat: • je de juiste verpleegkundige interventies inzet.

D Aandacht en begrip tonen

P Dit betekent dat:

• je aandachtig luistert en kijkt naar de gezondheidsproblemen, de zorgbehoeften en de leefomstandigheden van de zorgvrager en naasten • je je inleeft in gevoelens van de zorgvrager en naasten • je je inleeft in demogelijkheden van naasten om een bijdrage te kunnen leveren aan de zorgverlening zodat: • de zorgvrager of diens wettelijk vertegenwoordiger, mantelzorger en naasten op gepaste wijze worden betrokken bij het op- of bijstellen van het verpleegplan.

– luisteren – inleven in andermans gevoelens

21

PROEVE 2

Prestatie-indicatoren

voldoende goed

Competenties

Kwalificerend

onvoldoende

- componenten

H Overtuigen en beïnvloeden

P Dit betekent dat: • je het anamnesegesprek in duidelijke banen leidt • je kijkt naar verschillende belangen enmogelijkheden • je uitgaat vanmaximale en realistische resultaten • je hierbij streeft naar overeenstemming en draagvlak creëert zodat: • alle betrokkenen kunnen instemmenmet het verpleegplan. P Dit betekent dat: • je verkregen anamnesegegevens correct en accuraat verwerkt • je verpleegdoelen, activiteiten en interventies formuleert • je gebruik maakt van je kennis over stoornissen, beperkingen, functioneringsproblemen en ziektebeelden van alle zorgcategorieën • je vragen kunt beantwoorden zodat: • je een verantwoorde verpleegkundige diagnose stelt. T Dit betekent dat: • je de verzamelde gegevens analyseert, de juiste verbanden legt en logische conclusies trekt zodat: • je de verpleegkundige diagnose en het verpleegplan op adequate wijze en verantwoord op- of bijstelt. zodat: • het verpleegplan voor alle betrokkenen inzichtelijk en begrijpelijk is. P Dit betekent dat:

–– overeenstemming nastreven –– gesprekken richting geven –– onderhandelen

J Formuleren en rapporteren

–– correct formuleren –– nauwkeurig en volledig rapporteren K Vakdeskundigheid toepassen

–– vakspecifiekementale vermogens aanwenden

M Analyseren

–– informatie genereren uit gegevens

–– conclusies trekken –– verbanden leggen

Werkproces 1.2 Biedt persoonlijke verzorging en observeert enmonitort gezondheid enwelbevinden E Samenwerken en overleggen P Dit betekent dat: • je zonodig andere zorgverleners consulteert en inschakelt • je tijdigmet andere zorgverleners overlegt • je alle betrokkenen tijdig en volledig informeert

–– afstemmen –– proactief informeren

zodat: • er een professionele samenwerking bestaat rondom de persoonlijke verzorging enmonitoring. P Dit betekent dat: • je handelt volgens de beroepscode en de organisatie • je volgens de ethischemaatstaven van de organisatie handelt • je je eerlijk en betrouwbaar toont • je vertrouwelijk en discreet omgaat met gevoelige zaken • je verschillen tussen zorgvragers respecteert • je duidelijk verbaal en non-verbaal communiceert

F Ethisch en integer handelen

–– ethisch handelen –– integer handelen –– verschillen tussenmensen respecteren

zodat: • je de zorgvrager respectvol behandelt • jemet actuele informatie vervolgstappen zet.

22

VERPLEEGKUNDIGE

onvoldoende

Prestatie-indicatoren

voldoende goed

Competenties

Kwalificerend

- componenten

J Formuleren en rapporteren

P Dit betekent dat: • je op basis van theoretische kennis scherp en kernachtig formuleert • je op hoofd- en deelonderwerpen rapporteert zodat: • betrokkenen beschikken over een volledige en actuele rapportage over de gezondheidstoestand van de zorgvrager. P Dit betekent dat: • je tijdens observaties snel en veel relevante informatie opneemt P Dit betekent dat: • je op de zorgvrager gerichte ondersteuning geeft bij de persoonlijke verzorging • je je zoveel mogelijk richt op de behoeften en verwachtingen van de zorgvrager • je je houdt aan gemaakte afspraken • je regelmatig checkt of de zorgvrager nog tevreden is zodat: • je ondersteuning goed blijft aansluiten bij behoeften en verwachtingen. zodat: • je demonitoring op een professionele wijze uitvoert.

–– vlot en bondig formuleren –– structuur aanbrengen

K Vakdeskundigheid toepassen

–– vakspecifiekementale vermogens aanwenden R Op de behoeften en verwachtingen van de klant richten

–– aansluiten bij

de behoeften en verwachtingen –– klanttevredenheid in de gaten houden

P Dit betekent dat:

V Met druk en tegenslag omgaan

• je je eigen gevoelens goed kunt hanteren • je je grenzen stelt

zodat: • je de zorg onder acute en emotionele omstandigheden professioneel uitvoert.

–– gevoelens onder controle houden –– grenzen stellen

Werkproces 1.3 Voert verpleegtechnische handelingen uit K Vakdeskundigheid toepassen P Dit betekent dat:

• je in staat bent snel en accuraat te rekenen • je precies en bekwaam (met de handen) werkt

zodat: • je de verpleegtechnische handelingen op verantwoorde en juiste wijze uitvoert.

–– vakspecifiekementale vermogens aanwenden –– vakspecifiekemanuele

vaardigheden aanwenden

P Dit betekent dat:

L Materialen en

middelen inzetten

• jematerialen op een juiste wijze gebruikt • je dematerialen efficiënt en zorgvuldig gebruikt

zodat: • je een effectieve en efficiënte inzet vanmaterialen en middelen waarborgt bij de uitvoering.

–– materialen enmiddelen doelmatig gebruiken –– materialen enmiddelen doeltreffend gebruiken

23

PROEVE 2

Prestatie-indicatoren

voldoende goed

Competenties

Kwalificerend

onvoldoende

- componenten

R Dit betekent dat: • je bij het uitvoeren van verpleegtechnische handelingen je houdt aan voorgeschreven protocollen, (werk)procedures • je veiligheidsregels en voorschriften opvolgt • je werkt volgens de bekwaamheidseisen en wettelijke richtlijnen (wet BIG) zodat: • je de verpleegtechnische handelingen op de juiste wijze uitvoert en risico’s vermijdt. P Dit betekent dat: • je de zorgvrager een sturende, motiverende of activerende begeleiding biedt • je de zorgvrager stimuleert om handelingen en activiteiten zo veel mogelijk zelf uit te voeren • jemantelzorgers, naasten adviseert op welke wijze ze hun draagkracht kunnen versterken • je demantelzorger, naasten gerichte adviezen geeft over het versterken van hun draagkracht zodat: • de zorgvrager een positieve instelling en vertrouwen heeft in zijn eigen kunnen opbouwt en hij zoveel mogelijk zelfstandig gaat en blijft functioneren • demantelzorgers en naasten niet overbelast raken. P Dit betekent dat: • je betrokkenheid toont bij het fysieke enmentale welzijn van de zorgvrager • je de zorgvrager behandelt met respect en geduld zodat: • er een goede onderlinge relatie bestaat die als basis dient voor de begeleiding bij de zelfredzaamheid. P Dit betekent dat: • je controleert of je aan de verwachtingen en wensen van de zorgvrager en zijnmantelzorgers, naasten voldoet • je zo objectief mogelijk vaststelt of de zorgvrager tevreden is zodat: • de zorgvrager en zijnmantelzorgers, naasten tevreden zijn en blijven over je begeleiding bij de zelfredzaamheid.

T Instructies en

procedures opvolgen

–– werken conform

veiligheidsvoorschriften

–– werken conform

voorgeschreven procedures –– werken overeenkomstig de wettelijke richtlijnen

Werkproces 1.4 Begeleidt de zorgvrager C Begeleiden

–– adviseren –– motiveren

D Aandacht en begrip tonen

–– interesse tonen –– verdraagzaamheid en welwillendheid tonen –– bezorgdheid tonen voor anderen R Op de behoeften en verwachtingen van de klant richten

–– klanttevredenheid in de gaten houden

24

VERPLEEGKUNDIGE

onvoldoende

Prestatie-indicatoren

voldoende goed

Competenties

Kwalificerend

- componenten

Werkproces 1.5 Begeleidt een groep zorgvragers

Geldt niet voor het Algemeen Ziekenhuis

C Begeleiden

P Dit betekent dat: • je de groep zorgvragers motiveert om zich, zo ver mogelijk, te ontwikkelen op sociaal-maatschappelijk gebied • je, zo nodigmet naasten, een omgeving creëert die de groep zorgvragers stimuleert om de grenzen van hunmogelijkheden te verkennen • jemantelzorgers, naasten adviseert op welke wijze ze hun draagkracht kunnen versterken P Dit betekent dat: • je begrip hebt voor de houding en standpunten van iedere zorgvrager in de groep • je begrijpt waarom de groepsleden zich op een bepaalde manier gedragen • je bezorgdheid toont over het fysieke enmentale welzijn zodat: • er een goed groepsklimaat ontstaat waardoor alle groepsleden zich op een passende wijze behandeld en gewaardeerd voelen. • je onderwerpen duidelijk en correct uitlegt • je in je stijl van communiceren rekening houdt met de doelgroep • je regelmatig controleert of de informatie goed is overgekomen zodat: • de zorgvrager of doelgroep beschikt over relevante informatie en je deskundig advies geeft. zodat: • de begeleiding leidt tot de gewenste resultaten. P Dit betekent dat:

–– motiveren –– anderen ontwikkelen

D Aandacht en begrip tonen

–– begrip hebben voor de standpunten en houding van anderen –– bezorgdheid tonen voor anderen

Werkproces 1.6 Geeft voorlichting, advies en instructie

I Presenteren

–– duidelijk uitleggen en toelichten –– op de toehoorder(s)/ toeschouwer(s) inspelen –– kernachtig communiceren *

* deze component is alleen van toepassing voor de GHZ

P Dit betekent dat:

L Materialen en

middelen inzetten

• je voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen of instructiematerialen kiest en gebruikt die aansluiten bij het onderwerp

–– geschiktematerialen en middelen kiezen

zodat: • je de juistematerialen enmiddelen inzet.

25

PROEVE 2

Prestatie-indicatoren

voldoende goed

Competenties

Kwalificerend

onvoldoende

- componenten

Werkproces 1.7Hanteert crisissituaties en onvoorziene situaties Bij de opdrachten over het begeleiden bij verandering, pijn en verliesverwerking ligt het accent op onvoorziene situaties

P Dit betekent dat:

E Samenwerken en overleggen

• je tijdig hulp inroept van andere deskundigen

zodat: • je de zorgvrager snel en adequaat behandelt en begeleidt.

–– anderen raadplegen en betrekken

R Dit betekent dat: • je handelt volgens voorgeschreven procedures die in de zorgverlening gelden voor onvoorziene situaties • je de wettelijke richtlijnen kent die gelden voor dergelijke situaties • je de wettelijke richtlijnen toepast

T Instructies en

procedures opvolgen

–– werken conform

voorgeschreven procedures –– werken overeenkomstig de wettelijke richtlijnen en instructies

zodat: • je de kwaliteit van de uitgevoerde interventies waarborgt.

P Dit betekent dat: • je in onvoorziene situaties gericht blijft op het werk en de zaken die gedaanmoeten worden • je bij het stellen van grenzenmet mogelijke alternatieven komt • je je eigen gevoelens goed kunt hanteren

V Met druk en tegenslag omgaan

–– effectief blijven presteren onder druk –– gevoelens onder controle houden –– grenzen stellen

zodat: • je effectief en professioneel blijft handelen.

Werkproces 1.8 Coördineert de zorgverlening

P Dit betekent dat: • je weet wat de doelen en prioriteiten van de zorgverlening zijn • je weet wat relevante informatie/instructies zijn van en voor collega’s en betrokkenen zodat: • je collega’s en betrokkenen op de juiste wijze informeert en instrueert.

B Aansturen

–– richting geven –– instructies geven –– taken delegeren

P Dit betekent dat:

E Samenwerken en overleggen

• je indien nodig andere deskundigen raadpleegt • jemet hen tijdig en regelmatig overlegt

zodat: • de expertise van betrokkenen optimaal wordt afgestemd en ingezet.

–– anderen raadplegen en betrekken –– afstemmen

26

VERPLEEGKUNDIGE

onvoldoende

Prestatie-indicatoren

voldoende goed

Competenties

Kwalificerend

- componenten

Q Plannen en organiseren

P Dit betekent dat: • je je werkzaamheden in een logische volgorde plant en regelt • je zo nodigmaterialen, middelen en apparatuur inzet

zodat: • je de werkzaamheden binnen de beschikbare tijd en mogelijkheden uitvoert.

–– activiteiten plannen –– tijd indelen –– mensen enmiddelen organiseren

Werkproces 1.9 Evalueert de zorgverlening D Aandacht en begrip tonen

P Dit betekent dat: • je zorgvragers en andere betrokkenen vraagt naar hun ervaringen, ideeën en gevoelens over de geboden zorg en begeleiding • je aandachtig luistert en doorvraagt zodat: • je de verkregen informatie kunt inbrengen bij de evaluatie. P Dit betekent dat: • je scherp, kernachtig en op een ongecompliceerdemanier je bevindingen formuleert T Dit betekent dat: • je uit de evaluatiegegevens de belangrijkste informatie haalt met betrekking tot de resultaten van de zorgverlening en de behaalde verpleegdoelen • je logische conclusies trekt • jemanieren vindt om problemen op te lossen zodat: • je het verpleegplan zonodig op een verantwoordemanier bijstelt zodat: • de evaluatie (verslaglegging) voor alle betrokkenen inzichtelijk en begrijpelijk is.

–– luisteren –– interesse tonen

J Formuleren en rapporteren

–– vlot en bondig formuleren

M Analyseren

–– informatie uiteenrafelen –– conclusies trekken –– oplossingen voor problemen bedenken

• je de kwaliteit van de zorgverlening verbetert • je de zorgverlening goed afrondt of afsluit.

27

PROEVE 2

voldoende goed

onvoldoende

Bewijsstukken Kwalificerend

A.

De ingevulde beoordelingslijst van deze proeve.

Specifieke bewijsstukken:

Werkprocessen Competenties

1.1

K - M

B. Samenvatting op hoofd- en deelonderwerpen van het visieonderzoek.

1.1

A - D - H - J

C. De afgenomen anamneses.

1.1 1.2

J - K - M J - K - R

D. Twee (bijgestelde) verpleegplannen.

1.2

J - K

E. Rapportage van op hoofd- en deelonderwerpen de uitgevoerde zorg. F. De evaluatie van de uitgevoerde zorg en de feedback hierop.

1.2

E - F - R - V

1.3

T

G. Het schema over de relevante wetgeving.

1.3

K - T

H. Casuïstiek over de toepassing van verpleegtechnische handelingen, voorzien van feedback. I. Afgetekende beoordelingslijst van de correct uitgevoerde verpleegtechnische handelingen. J. Afgetekende beoordelingslijst van de vier correct uitgevoerde branchespecifieke verpleegtechnische handelingen. K. Een plan van aanpak voor de voorlichting of advies, de feedback en de rapportage. L. Een instructieplan voor het aanleren van een verpleegtechnische handeling, de feedback en de rapportage. M. De sociale netwerkkaart, plan van aanpak en de evaluatie voorzien + feedback. N. Zelfgekozen bewijsstuk van het gesprek met de mantelzorger of naaste en de evaluatie. O. Het profiel, het sociogram, het zelfgekozen bewijsstuk van de activiteit en de evaluatie. O. Een beschrijving van de hulpverlenende instanties, het plan van aanpak, een zelfgekozen bewijsstuk van de uitvoering van de begeleiding en de evaluatie. P. Twee observatielijstenmet uitkomsten van het onderzoek naar (vroeg)signalering ten behoeve van grensoverschrijdend gedrag. Q. Rapportage van het grensoverschrijdend gedrag van twee zorgvragers. Of

1.3 1.8 1.3 1.8 1.4 1.8 1.6 1.8

K - L - T Q K - L - T Q

C - D - R B - E

I - L B - E

1.4

C - D

1.4

C - R

1.5

C - D

1.4

R

1.1

M

1.1

J - M

28

VERPLEEGKUNDIGE

onvoldoende

voldoende goed

Bewijsstukken Kwalificerend (vervolg)

Specifieke bewijsstukken:

Werkprocessen Competenties

1.4

R

R. Plan + uitvoering voor een bespreking van de rapportage met iemand uit het sociaal netwerk van een zorgvrager. S. Plan voor de bespreking in het (multidisciplinaire) teamoverleg en de resultaten daarvan. T. Twee geactualiseerde verpleegplannenm.b.t. het grensoverschrijdende gedrag van twee zorgvragers en de evaluatie van de uitvoeringmet feedback. U. Het gebruikte pijn(anamnese)instrument en de rapportage van je verpleegkundige zorg aan twee zorgvragers met pijnmet daarbij een uitwerking van de voorgeschreven pijnmedicatie. V. Een begeleidingsplan en een voorlichtingsplan voor twee zorgvragers met verlieservaring, de uitvoering en evaluatie daarvan en feedback van je begeleider.

1.1

J

1.4 1.9

C - D - R J - M

1.4 1.7

D - R E - T - V

1.2 1.4 1.6

F C - D - R I - L

Aanvullende of vervangende bewijsstukken:

Werkprocessen Competenties

Cesuur In deze proeve zijn de competenties binnen de werkprocessen op het vereiste beheersingsniveau aangetoond.  ja  nee

29

PROEVE 2

Made with