16
KWALIFICEREND DOSSIER
3. Reflectieverslag
Je beoordelaar leest in je verslag waarom je bepaalde keuzes hebt
gemaakt en wat je precies gedaan hebt om tot het resultaat te
komen.
4. Beoordelingsgesprek
Je beoordelaar vraagt waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt
en welke kennis en vaardigheden je hebt ingezet. Hij achterhaalt zo
nodig wat jouw aandeel is geweest wanneer je een werkproces in
een groep hebt uitgevoerd.
5. Presentatie
Jij legt uit waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt, welke kennis
en vaardigheden je hebt ingezet en wat jouw aandeel is geweest
wanneer je een werkproces in een groep hebt uitgevoerd.
In bijlage 1 staat omschreven wat de beoordelingsmethoden precies
inhouden en hoe en door wie ze worden uitgevoerd.
2 3 4 beoordelen van competenties
Zoals in paragraaf 2.3.3 al staat aangegeven staan bij elke
competentie:
• de eisen omschreven voor de kennis en vaardigheden die je
moet inzetten en de beroepshouding die je moet tonen.
• de eisen voor het resultaat van je werkzaamheden.
De beoordelaars bepalen doorgaans door middel van
observatie
en
productbeoordeling
of je voldoet aan de gestelde eisen.
In een aantal gevallen wordt één van de aanvullende
beoordelingsmethoden ingezet:
• Reflectieverslag
• Beoordelingsgesprek
• Presentatie