COMPETENTIEWIJZER
5
Competentie C: Begeleiden
Werkprocessen:
1.5 Begeleidt een zorgvrager
(BP 1.4, BP 1.5, Proeve fase 1, BP 2.2, BP 2.5, BP 2.6, BP 2.7,
Assessmentgesprek 1, Proeve fase 2, BP 3.1, Proeve fase 3)
Componenten:
anderen ontwikkelen, adviseren, motiveren
Eindgedrag:
Je begeleidt en stimuleert de zorgvrager bij het handhaven en vergroten van de zelfredzaamheid op
psychosociaal enmaatschappelijk gebied.
Je ondersteunt de naasten en let daarbij op signalen van overbelasting. Je checkt of de betrokkenen tevreden
zijn over je begeleiding.
In de VVT, GHZ en GGZ ondersteun je bij praktische zaken. Ook ondersteun je de zorgvrager bij het realiseren
van een waardevolle dagbesteding, het opbouwen en onderhouden van het sociale netwerk van de zorgvrager.
Je betrekt het sociale netwerk bij de ondersteuning. Je motiveert de zorgvrager om zoveel mogelijk de regie over
zijn eigen leven te voeren en de eigen identiteit en levensinvulling te behoeden. Je begeleidt de zorgvrager bij de
verwerking en hantering van de gevolgen van ziekte, beperking of behandeling.
In de KZ ondersteun je de kraamvrouw, haar partner en andere familieleden bij het hanteren van de nieuwe
gezinsomstandigheden. Je ondersteunt hen ook wanneer de pasgeborene (ernstig) gehandicapt is of een
(ernstige) ziekte heeft of waarbij de pasgeborene is overleden
.
1.6 Begeleidt een groep zorgvragers
(BP 2.5, Proeve fase 2)
Componenten:
anderen ontwikkelen, motiveren
Eindgedrag:
In de VVT, GHZ en GGZ begeleid je een groep zorgvragers bij het zo optimaal mogelijk samenwonen in
groepsverband. Je creëert een zo stimulerende en prettige leef- en verblijfsomgeving voor de groep, passend
bij hun wensen en behoeftes. Je betrekt hierbij zo nodig de naasten. Je bevordert een goed groepsklimaat. Je
observeert de groepsdynamiek en het gedrag van de zorgvragers. Je helpt een zorgvrager bij het verkrijgen van
inzicht in eigen gedrag en het effect van dat gedrag op anderen. Je bespreekt indien nodig dit in de groep. Je
maakt afspraken over (gedrags)regels. Je grijpt in of bemiddelt bij conflicten.
In de GGZ gebruik je de groep als therapeutisch instrument om de zorgvrager in zijn sociaal-maatschappelijk
functioneren te versterken en hem te ondersteunen bij het opbouwen en onderhouden van contacten.
2.3 Geeft werkbegeleiding
(BP 3.2, Verantwoordingsverslag 2, Proeve fase 3)
Componenten:
anderen ontwikkelen
Eindgedrag:
Je werkt nieuwe collega’s in en begeleidt studenten en/of stagiaires. Je kiest in overleg een geschikte wijze
van begeleiden. Je instrueert en coacht hen, geeft aanwijzingen en adviezen. Je geeft feedback op hun
leeractiviteiten en beroepsmatig handelen. Je begeleidt hen bij het ontwikkelen bij een beroepshouding. Je
biedt een optimaal leerklimaat. Je participeert in begeleidings- en beoordelingsgesprekken.
Kennis. Je kent
Vaardigheden. Je kunt
Houding. Je bent
•
•
de begeleidings- en
stimuleringsstrategieën ten
behoeve van de zelfredzaamheid op
psychosociaal enmaatschappelijk
gebied
•
•
de ondersteuningsstrategieën
bij het hanteren van nieuwe
gezinsomstandigheden
•
•
de signalen van overbelasting
•
•
observeren van de wijze waarop de
zorgvrager problemen hanteert
•
•
op basis van observatiemede bepalen
welke psychosomatische en sociale zorg
nodig is
•
•
afspraken opnemen in het zorgplan
•
•
luisteren naar een langer betoog of
complexe redenering wanneer het
onderwerp voor jou bekend is (2F)
•
•
respectvol
•
•
loyaal
•
•
flexibel
•
•
inlevend
•
•
zorgvuldig
•
•
consequent
•
•
open naar
anderen