COMPETENTIEWIJZER
7
Competentie D: Aandacht en begrip tonen
Werkprocessen:
1.1 Stelt (mede) het zorgplan op
(BP 1.1, BP 1.3, Proeve fase 1, BP 2.3, Proeve fase 2, BP 3.1, Proeve fase 3)
Componenten:
luisteren, inleven in andermans gevoelens
Eindgedrag:
Je verzamelt gegevens om de zorg- en ondersteuningsbehoeften van de zorgvrager, eventueel met naasten, in
kaart te brengen.
In de VVT, de GHZ en de GGZ voer je een anamnesegesprek met de zorgvrager, eventueel gesteund door naasten.
Jemaakt gebruik van je kennis over stoornissen, beperkingen, functioneringsproblemen en ziektebeelden van
zorgcategorieën in de specifieke branche.
Je analyseert de verzamelde gegevens, formuleert (mede) zorg- en ondersteuningsdoelen en passende
activiteiten en stelt (mede) het zorgplan op.
Je bespreekt eventueel het zorgplanmet de zorgvrager en betrokkenen, en vraagt om instemming.
1.5 Begeleidt een zorgvrager
(BP 1.2, BP 1.4, BP 1.5, Proeve fase 1, BP 2.2, BP 2.5, BP 2.6, Proeve fase 2,
BP 3.1, Proeve fase 3)
Componenten:
interesse tonen, verdraagzaamheid en welwillendheid tonen, bezorgdheid tonen voor anderen
Eindgedrag:
Je begeleidt en stimuleert de zorgvrager bij het handhaven en vergroten van de zelfredzaamheid op
psychosociaal enmaatschappelijk gebied.
In de VVT, GHZ en GGZ ondersteun je bij praktische zaken, bijvoorbeeld leren reizenmet openbaar vervoer etc. Ook
ondersteun je de zorgvrager bij het realiseren van een waardevolle dagbesteding, het opbouwen en onderhouden
van zijn sociale netwerk en betrek je het sociale netwerk bij de ondersteuning.
Je motiveert de zorgvrager ook om zoveel mogelijk de regie over zijn eigen leven te voeren en de eigen identiteit
en levensinvulling te behouden. Ook begeleid je de zorgvrager bij de verwerking en hantering van de gevolgen van
ziekte, beperking of behandeling.
In de KZ ondersteun je de kraamvrouw, haar partner en andere familieleden bij het hanteren van de nieuwe
gezinsomstandighedenWanneer de pasgeborene (ernstig) gehandicapt is , een (ernstige) ziekte heeft of waarbij
de pasgeborene overleden is, bied je adequate ondersteuning.
Daarnaast ondersteun je de naasten en let daarbij op signalen van overbelasting.
Je checkt of de betrokkenen tevreden zijn over de begeleiding.
1.11 Evalueert de zorgverlening
(BP 1.4, BP 1.5, Proeve fase 1, BP 2.6, Proeve fase 2, BP 3.1, BP 3.3,
Proeve fase 3)
Componenten:
luisteren, interesse tonen
Eindgedrag:
Je evalueert (de totale) zorgverlening.
Je evalueert periodiek en aan het einde van het uitvoeringstraject de zorgverleningmet alle betrokkenen.
Je verzamelt steeds relevante gegevens voor de evaluatie en analyseert deze. Je bespreekt de gegevens uit
de evaluatiemet betrokkenen. Je voert, indien daartoe aanleiding is, in overleg veranderingen door in het
zorgplan.
In de VVT, GHZ en GGZ schrijf je eventueel ook een (eind)evaluatie ten behoeve van ontslag of overdracht naar
een andere zorgsetting dan wel voor beëindiging van haar eigen werkzaamheden. Je houdt het zorgdossier bij.
In de KZ zorg je in overlegmet de verloskundige voor een overdracht naar de Jeugd Gezondheidszorg c.q. het
consultatiebureau.