E-pupillen
|
151
Bij elke poging tot storen die je ziet, kun je jezelf weer vier dingen afvragen. Wordt
de handeling vanuit de juiste positie uitgevoerd? Op het juiste moment? Met de juiste
snelheid? En in de juiste richting?
Stel een speler wil de bal veroveren. Heeft hij goed positie gekozen tussen zijn tegen-
stander en het eigen doel? Is de verdediger attent op het moment dat de tegenstander
de bal (te) ver voor zich uitspeelt? Kan hij op tijd de bal veroveren? Is hij snel genoeg
bij de bal om deze te veroveren – loopt hij in de juiste richting?
1. Druk zetten op de balbezitter
Wat?
Voorkomen dat de bal vooruit kan worden gespeeld.
Waar en wanneer?
Over het gehele speelveld, als de tegenstander dreigt de bal
vooruit te spelen.
Wat ziet de coach en wat zegt hij?
‘Niet te snel naar de tegenstander toe, behoed-
zaam naderen – Niet te langzaam naar de tegenstander toe, als je te lang wacht dan
schiet hij de bal langs je in het doel of passt hij de bal vooruit – Probeer ook met ei-
gen initiatief en schijnacties de druk op de aanvallers te vergroten, hou ze bezig
– Blijf zoveel mogelijk oog in oog met de tegenstander, draai je rug niet naar hem toe –
Probeer tegenstander naar de zijkant te dwingen – Jaag tegenstander op en dwing
hem tot fouten.’




